Jodenvervolging in Nederland

 

    De jaren dertig

    De gebeurtenissen in Duitsland in de jaren dertig - de machtsovername van Adolf Hitler, het toenemend antisemitisme en de Kristallnacht - gingen aan de Nederlandse joden niet onopgemerkt voorbij. Toch dachten veel mensen dat het neutrale Nederland veilig was en zoiets hier niet kon gebeuren.
    De NSB, de nationaal-socialistische beweging van Anton Mussert, haalde weliswaar tijdens de verkiezingen van 1935 8% van de stemmen, maar echt antisemitisch was de beweging toen nog niet. Toen de NSB wel antisemitisch werd, was de aanhang van de partij inmiddels al geslonken. Er bestond in Nederland wel alledaags, verbaal antisemitisme, maar voor een expliciet antisemitische politieke groepering bestond geen echte voedingsbodem.
    Na de machtsovername van1933, maar vooral ook na de Kristallnacht van 9 op 10 november1938 probeerden veel joden Duitsland te ontvluchten. De Nederlandse regering reageerde afwijzend op joodse vluchtelingen: extra grensbewaking en strenge maatregelen op het terrein van uitwijzingen en werkvergunningen moesten hun aantal zoveel mogelijk beperken. De naar schatting 20.000 joden die wel werden toegelaten moesten op kosten van de joodse gemeenschap worden opgevangen. Hiervoor zorgde het Comité voor Joodse Vluchtelingen onder leiding van David Cohen. Het vluchtelingenkamp Westerbork dat de Nederlandse regering speciaal voor deze groep in Drenthe liet bouwen, moest door de joodse gemeenschap gefinancierd worden.
    Voor meer informatie over het Comité voor Joodse Vluchtelingen zie het Thema Joodse sociale organisaties.
    Voor meer informatie over de jaren dertig zie: www.westerbork.nl volg de link Kamp en lees het stukje 'Groeiende onrust'

    Mei 1940

    Op 10 mei 1940 trokken Duitse troepen Nederland binnen. Er woonden toen ongeveer 140.000 joden in Nederland. In de chaos na de invasie slaagde een aantal joden erin over zee naar Engeland te vluchten. Hun aantal wordt geschat op enkele honderden. Nog minder mensen konden via Frankrijk Spanje bereiken. Anderen vluchtten in de dood en pleegden zelfmoord.
    Na vijf dagen capituleerde het Nederlandse leger. Op 29 mei 1940 benoemde Hitler Reichskommisar Arthur Seyss-Inquart tot hoofd van het Duitse burgerlijk bestuur in bezet Nederland, het Reichskommissariat.

    Ariërverklaring en ontslag uit overheidsdienst

    In het najaar van 1940 trof de eerste maatregelen uit een lange reeks die de joden in Nederland van de rest van de bevolking moesten (onder)scheiden.
    Vóór 26 oktober moesten alle ambtenaren, onder wie leraren, een ariërverklaring inleveren. Wie weigerde werd ontslagen. Nadat de joodse ambtenaren op deze manier geïdentificeerd waren, werd in november een begin gemaakt met het ontslag van joden uit overheidsdienst. Dit gebeurde in verreweg de meeste gevallen zonder veel ophef. Op enkele scholen staakten de scholieren uit woede tegen het ontslag van hun joodse leraren en ook studenten en docenten van universiteiten lieten hun afkeuring blijken. Beroemd is de rede die professor Rudolph Cleveringa van de Universiteit van Leiden hield uit protest tegen het ontslag van zijn joodse collega-hoogleraar E.M. Meijers. Door deze acties werd de aandacht op de anti-joodse maatregelen gevestigd, de maatregelen zelf werden niet ongedaan gemaakt.

    Registratie

    Op de registratie van de joodse ambtenaren volgde vanaf 22 oktober 1940 de verplichte opgave van bedrijven en ondernemingen met een joodse eigenaar. Alle joden werden geconfronteerd met de verordening die Seyss-Inquart op 10 januari 1941 uitvaardigde en die verstrekkende gevolgen zou hebben: alle 'personen van geheel of gedeeltelijk joodschen bloede' moesten zich laten registreren. Daarbij werd het begrip 'jood' op raciale gronden gedefinieerd en onderverdeeld in 'voljoden', 'halfjoden' en 'kwartjoden'. De Nederlandse gemeenten werden belast met de uitvoering van deze maatregel. Deze maatregel viel ten dele samen met de introductie van de legitimatieplicht voor alle Nederlanders door middel van het nieuwe Persoonsbewijs. Joden moesten een vragenformulier invullen en inleveren en kregen - tegen betaling van een gulden - een bewijs van aanmelding. De aanmeldingsformulieren moesten worden opgestuurd naar de Rijksinspectie van de Bevolkingsregisters.
    Verreweg de meeste joden hebben de registratieformulieren ingevuld. Wie zich niet registreerde, riskeerde gevangenisstraffen oplopend tot vijf jaar. Bovendien waren de gegevens die verstrekt moesten worden ook al bekend bij het bevolkingsregister en in de administratie van de joodse gemeente.

    Het begin van isolatie en de eerste rellen

    In een later stadium van de bezetting zou de Duitse bezetter de joodse bevolking stapsgewijs, totaal afscheiden van de niet-joodse bevolking. Voor het zover was nam een aantal Nederlandse organisaties zelf al het initiatief tot isolatie. Zo weerden Nederlandse bioscopen en tal van verenigingen en werkkringen op eigen initiatief joden. De Nederlandse nationaal-socialisten wilden nog verder gaan.
    De Weerafdeling (WA) van de NSB dwong hotel- en restauranteigenaren in Den Haag, Rotterdam en Amsterdam borden op te hangen die meldden dat joden niet gewenst waren.
    Op 8 februari 1941 braken rellen uit op het Rembrandtplein in Amsterdam toen WA mannen en café-eigenaren slaags raakten. Een dag later vielen café's en dansgelegenheden ten prooi aan gewelddadigheden van de WA. Op 11 februari trok de WA de joodse buurt in waar de inwoners, joden en niet-joden geholpen door arbeiders uit andere wijken, het gevecht aangingen. In een gevecht met een knokploeg, waar ook joden deel van uitmaakten, liep WA man Hendrik Koot ernstige verwondingen op, waaraan hij drie dagen later overleed.

    De Joodse Raad

    Als reactie op de rellen werd de joodse wijk tijdelijk hermetisch afgesloten. Dr Hans Böhmcker, de speciale commissaris van Seyss-Inquart voor Amsterdam en als zodanig belast met anti-joodse maatregelen, riep enkele vooraanstaande joden in Amsterdam bij elkaar en gaf instructie om een Joodse Raad op te richten, die moest dienen als overkoepelende organisatie waarmee de Duitse bezetter contact met de joodse gemeenschap ging onderhouden. De Joodse Raad zou het doorgeefluik van de anti-joodse maatregelen worden. Door de Raad een vorm van zelfbestuur te geven wekte de bezetter de indruk dat de Raad invloed kon uitoefenen op de gang van zaken.De voorzitters van de Joodse Raad, David Cohen en Abraham Asscher, hadden binnen de vooroorlogse joodse gemeenschap vooraanstaande functies bekleed en meenden dat het hun taak was het bestuur van de Joodse Raad op zich te nemen en de Duitse orders op te volgen'om erger te voorkomen'.
    Na verloop van tijd werden de meeste bestaande joodse organisaties verboden. Ook joodse bladen mochten niet langer verschijnen. De Joodse Raad nam veel functies van de oude organisaties over, en ging het gecensureerde Het Joodsche Weekblad uitgeven. Hierin werden de anti-joodse maatregelen bekend gemaakt zonder dat de niet-joden daarvan op de hoogte werden gesteld.
    De Raad kreeg een steeds belangrijkere rol in het joodse leven, bijvoorbeeld op het terrein van onderwijs en sociaal werk. In oktober 1941 werden de taken van de Joodse Raad door de bezetter tot heel Nederland uitgebreid en op verschillende plaatsen werden lokale afdelingen opgericht.
    Het optreden van de Joodse Raad heeft tot veel protesten en kritiek geleid, zowel tijdens de oorlog, door joden zelf en door het verzet, als na de oorlog ook door historici. Een na-oorlogse Joodse Ereraad heeft bepaald dat Asscher en Cohen hun verdere leven geen functies meer binnen de joodse gemeenschap mochten bekleden.
    Overigens namen niet alle afdelingen van de Joodse Raad een zelfde houding aan: de Joodse Raad in Enschede heeft een belangrijke rol gespeeld in het verzet tegen de jodenvervolging.
    Zie voor meer informatie de website over de Joodse Raad Enschede: www.joodscheraadenschede.nl

    De eerste razzia

    Op 19 februari 1941 deed de Grüne Polizei een inval in IJssalon Koco in de Van Woustraat in Amsterdam. Ernst Cahn en Alfred Kohn, twee joden die Duitsland waren ontvlucht, dreven deze ijssalon die door joodse knokploegen als uitvalsbasis werd gebruikt. Tijdens die inval richtte een van de eigenaren een fles ammoniakgas op de indringers. De Grüne Polizei begon te schieten, bestormde de winkel en pakte later op de avond de ontsnapte eigenaren op. Kohn stierf na deportatie, Cahn werd op 3 maart 1941 geëxecuteerd.
    Heinrich Himmler gaf bevel tot onmiddellijke represailles. Er moesten 425 joden worden opgepakt en zo vond op 22 februari de eerste razzia plaats in de jodenbuurt. De wijk werd afgesloten, de Grüne Polizei sleepte jonge mannen van straat en sloeg deuren in op zoek naar slachtoffers. Vrouwen en kinderen werden mishandeld. De volgende dag herhaalde dit patroon zich tot er 'voldoende' slachtoffers waren. De opgepakte mannen werden naar een interneringskamp in Schoorl gebracht en vervolgens - met uitzondering van een aantal zieken - via Buchenwald naar Mauthausen gebracht. Drie van hen overleefden de oorlog.

    De Februaristaking

    Uit protest tegen de razzia's legden Amsterdamse medewerkers van het Gemeentelijk Vervoerbedrijf en andere gemeentelijke diensten op dinsdag 25 februari 1941 het werk neer. Het initiatief voor de staking kwam van een groep communistische arbeiders. Al snel volgden metaal- en dokwerkers (die in de maanden daarvoor al hadden gestaakt, onder andere uit protest tegen tewerkstelling in Duitsland). Omdat de tram niet reed, wisten andere Amsterdamse arbeiders dat er gestaakt werd en een deel van hen legde het werk neer. De volgende dag werd er ook in Zaanstreek, Kennemerland (Haarlem en Velsen), Hilversum, Utrecht en Weesp gestaakt.
    De Duitsers waren verrast door de staking, riepen de noodtoestand uit en traden hard op. Er werden politie- en SS-troepen ingezet. Door sommige patrouilles werden vuurwapens gebruikt tegen de stakers en op de tweede stakingsdag werden tenminste zeven mensen gedood. Op donderdag 27 februari om 12 uur 's middags was de staking gebroken.
    De staking was een protest van de niet-joodse bevolking tegen de anti-joodse maatregelen (de eerste en grootste manifestatie in zijn soort in West-Europa) maar ook tegen de Duitse overheersing in het algemeen. De staking bracht de Duitsers niet van hun voornemens af. Wel beseften zij dat zij voortaan bij het doorvoeren van de anti-joodse maatregelen omzichtiger te werk moest gaan en dat de acties van de Nederlandse nationaal-socialisten aan banden moesten worden gelegd.
    Voor meer informatie over de februaristaking zie: www.februaristaking.nl

    Verdere isolatie en de voorbereiding van roof

    In de maanden volgend op de februaristaking nam de bezetter stapsgewijs een groot aantal maatregelen die joden steeds verder isoleerden van de rest van de bevolking.
    Zo mochten joden geen gebruik meer maken van zwembaden, openbare parken, dierentuinen, markten, hotels, café's, theaters, cabaret- en concertzalen en bibliotheken. Overal kwamen bordjes 'Voor joden verboden' te hangen. Joden werden uit verenigingen gezet, moesten hun radio inleveren en mochten niet meer zonder vergunning reizen. Tegelijkertijd werd voor hen - tijdelijk - een afzonderlijke levenssfeer vol restricties gecreëerd.
    Niet alleen volwassenen werden in hun dagelijks leven steeds meer gescheiden van hun niet-joodse omgeving, ook kinderen en jongeren trof dit lot: op 1 september 1941 (in Amsterdam op 1 oktober) mochten joodse kinderen niet langer naar hun eigen school, en moesten naar aparte scholen.
    De economische mogelijkheden van joden werden steeds verder beperkt. In maart werden winkels en bedrijven van joden onteigend en in handen gegeven van een Verwalter. Joodse artsen, apothekers, vertalers, advocaten en makelaars mochten niet meer voor niet-joden werken.
    Er werd bovendien een begin gemaakt met de stelselmatige roof van joods bezit. Van 8 tot 11 augustus 1941 moesten joden hun geld, cheques, effecten en andere deposito's laten registreren bij en overdragen aan de Lippmann-Rosenthal bank (LiRo). Op 15 september moesten ze daar hun grondbezit en onroerende goederen laten registreren als voorbereiding op de onteigening. In oktober werd verordonneerd dat alle werkzaamheden bij bedrijven met een joodse eigenaar aan voorwaarden en vergunningen onderhevig waren. Werkgevers kregen bovendien toestemming om joden met een opzegtermijn van drie maanden te ontslaan en hun pensioenvoorziening te veranderen. In de maanden die op deze verordening volgden werden veel joodse werknemers ontslagen en veel werkvergunningen van joden ingetrokken.

    Werkkampen, 'evacuaties' en razzia's

    Vanaf januari 1942 werden joodse werklozen (die er inmiddels door alle maatregelen in grote getale waren) naar joodse werkkampen gestuurd. De Joodse Raad leverde de namen en adressen van de werklozen joden.
    Niet alleen werklozen, ook mensen met werk werden getroffen. Alle niet-Nederlandse joden werden naar Westerbork afgevoerd. Alle Nederlandse joden moesten gedwongen verhuizen naar Amsterdam. Begonnen werd met de 'evacuatie' van Zaandam en Hilversum. Joodse inwoners van die steden moesten hun huissleutel afgeven bij de politie, waarna de Hausraterfassungsstelle hun bezittingen kwam registeren. Dit was een onderafdeling van de in maart 1941 opgerichte Zentralstelle für Jüdische Auswanderung, een kantoor dat de bezetter in Amsterdam had geopend om de deportaties voor te bereiden en uit te voeren. De bezittingen werden vervolgens door de Einsatzstab Reichsleiter Rosenberg met medewerking van Nederlandse verhuisbedrijven als de firma Puls uit de huizen gehaald. De huisraad van 25.000 woningen werd naar Duitsland vervoerd onder andere om uit te delen aan huishoudens die door bombardementen getroffen waren. Een deel van de huisraad werd in Nederland verkocht. De leegstaande huizen werden verhuurd aan Nederlanders. De aantrekkelijkste huizen werden betrokken door de Duitsers zelf en door Nederlandse nazi's.
    Op 11 juni 1941 vond in Amsterdam-Zuid een razzia plaats. De bezetter greep sabotage-acties aan om deze actie te motiveren. Uit vrees voor reacties als in februari, besloot Willy Lages geen straat-razzia’s te organiseren maar de slachtoffers van huis op te halen. Onder valse voorwendselen vroeg hij de Joodse Raad om de lijst met namen en adressen van de leerlingen van het Joodse Werkdorp in de Wieringermeer, die in maart 1941 gesommeerd waren naar Amsterdam te komen. Zij zouden nu weer mogen terugkeren. Omdat veel leerlingen de zaak niet vertrouwden en onderdoken, werden er te weinig mensen opgehaald en vonden er alsnog razzias plaats in café's en joodse sportclubs. Op 14 september vonden razzia's in Twente plaats (zie en hoor hierover www.joodscheraadenschede.nl). Ook hier werd weer een aantal sabotageacties aangegrepen om opdracht te geven tot arrestatie van 110 joodse burgers. Twee weken later werd de hele groep naar Mauthausen gedeporteerd. Drie weken later, op 7 en 8 oktober, vonden soortgelijke razzia's plaats in de Achterhoek.

    Jodenster en andere maatregelen

    Al vanaf herfst 1940 moest iedereen een Persoonsbewijs hebben, vanaf januari 1942 ging de bezetter dit gebruiken om mensen te controleren. Joden hadden een persoonsbewijs ontvangen, waarin een grote zwarte letter J was gestempeld, opdat zij er bij die controles uitgepikt konden worden. De Neurenberger rassenwetten, die voor een groot deel al waren ingevoerd in Nederland, werden in maart in hun geheel doorgevoerd en huwelijken of seksuele omgang tussen joden en niet-joden werden verboden.
    De bordjes 'voor joden verboden' werden nu op last van de Reichskommissar overal opgehangen. Eind april 1942 moesten alle joden op hun bovenkleding een Jodenster dragen waardoor ze makkelijk te herkennen waren. De bewegingsvrijheid van joden werd nog verder ingeperkt toen zij in juni fietsen en vervoermiddelen moesten inleveren, niet meer op markten mochten komen (alleen op de speciaal ingestelde 'joodse markten') en vanaf half juli ook alleen maar van 15 tot 17 uur in niet-joodse winkels boodschappen mochten doen.
    Voor meer informatie over de 'joodse markten' zie het Thema Joodse markt- en straathandelaren in Amsterdam. Voor meer informatie over het persoonsbewijs zie:
    www.geschiedenis.com

    Deportaties

    In de zomer van 1942 begonnen de grootschalige deportaties van joden uit Nederland. Het tijdschema voor de deportaties en de aantallen mensen die gedeporteerd moesten worden werden in Berlijn bepaald door Adolf Eichmann die - na de dood van Reinhard Heydrich begin juni 1942 - op zijn beurt zijn bevelen kreeg van Heinrich Himmler.
    Op basis van de registratie van 1941 maakten de medewerkers van de Zentralstelle een eerste selectie. De Joodse Raad kreeg de opdracht oproepen voor 'werkverruiming' in Duitsland te versturen aan alle mannen tussen 16 en 40 jaar. Vierduizend joden moesten er mee met de eerste transporten, die van 14 tot en met 17 juli 1942 plaatsvonden. Maar mensen reageerden nauwelijks op hun oproepen en kwamen zich niet melden. Om toch het aantal van vierduizend te halen werden joden (die nu door de ster goed herkenbaar waren) van straat opgepakt. Ook joden die al in kamp Westerbork zaten werden op transport gesteld en naar Auschwitz in Polen gedeporteerd.
    In de loop van de maand juli vonden nog zeven transporten van Amsterdam naar Westerbork plaats. Het verzamelpunt van al die mensen was aanvankelijk het Centraal Station, maar werd later (misschien om het wat minder zichtbaar te maken voor de rest van de bevolking) verplaatst naar de Hollandsche Schouwburg. Het kwam steeds vaker voor dat joden weigerden zich te melden, waardoor in Berlijn opgestelde quota niet gehaald werden. In augustus werden er daarom opnieuw razzia's gehouden. Ditmaal werd de Duitse politie geholpen door het Politiebataljon Amsterdam, een speciaal opgeleid korps bestaande uit pro-nationaal-socialistische manschappen van de Nederlandse politie. Straten werden afgezet, huizen werden doorzocht en wie werd gepakt, werd meegevoerd.

    Vrijstellingen

    Pogingen van Joodse Raad om het aantal te deporteren joden te verminderen leverden niets op. Wel stond de bezetter toe dat de Joodse Raad een systeem van vrijstellingen opzette. Deze waren onder meer bestemd voor medewerkers van de Joodse Raad. Toen bekend werd dat er een systeem van vrijstellingen werd gehanteerd ontstond er een ware 'run' op de Joodse Raad omdat veel mensen probeerden via deze organisatie een vrijstelling te krijgen. De Joodse Raad moest overigens zelf de 17.500 medewerkers selecteren die een stempel zouden krijgen. Achteraf is er veel kritiek geweest op deze handelwijze en dan vooral op de selectiecriteria die daarbij zijn gehanteerd: volgens de critici speelden vriendjespolitiek en corruptie bij de selectie een rol. Hoe dan ook was het Sperresysteem een probaat middel van de bezetter om verdeeldheid te zaaien. In de loop van1943 'platzten' de lijsten met vrijstellingen een voor een, dat wil zeggen dat de bezetter ze ongeldig verklaarde. Zo waren de lijsten een instrument van de Duitsers om bepaalde groepen joden met hun gezinnen te selecteren voor deportatie.
    Naast deze vrijstellingen waren er ook andere groepen joden die aanvankelijk van arbeidsinzet vrijgesteld waren, zoals gemengd gehuwde joden, bepaalde categorieën buitenlandse joden en joden die voor 1 januari 1941 christelijk gedoopt waren. Verder waren er de zogenaamde 'economisch vrijgestelden', degenen die direct of indirect voor de Duitse oorlogsinspanning werkten. Een voorbeeld daarvan zijn de driehonderd diamanthandelaren en vijfhonderd diamantbewerkers die werden geselecteerd om producten voor Duitsland te maken. Al deze vrijgestelden kregen een speciaal stempel (Sperre) op hun identiteitspapieren en waren 'tot nader order' van arbeidsinzet vrijgesteld. Veel van de vrijgestelden zijn in de loop van de oorlog toch vervolgd en deels gedeporteerd.

    Grootschalige razzia's

    Omdat vrijwel niemand zich vrijwillig meldde, werden de meeste joden tijdens nachtelijke invallen door Duitse en Nederlandse politie van hun bed gelicht. Joodse bejaardenhuizen werden overvallen en oude en zieke bewoners werden weggevoerd. Het idee dat er geselecteerd werd voor tewerkstelling viel nu niet langer staande te houden. Ook joodse weeshuizen werden 'leeggehaald', net als de joodse werkkampen. De familieleden van de kampbewoners werden van huis gehaald. Op 2 en 3 oktober 1942 vonden er grootscheepse razzia's plaats, in Amsterdam en in de provincie. Duitse en Nederlandse politie, NSB, Nederlandse SS, Duitse ambtenaren van de nazipartij en het personeel van de Zentralstelle, hielpen allemaal mee. Tegen het eind van 1942 waren circa 40.000 Nederlandse joden naar de vernietigingskampen in Polen afgevoerd.
    Begin 1943 werden joodse ziekenhuizen, weeshuizen en sanatoria het doelwit. In de nacht van 21 op 22 januari 1943 werd het Apeldoornse Bos, een joods psychiatrisch ziekenhuis op de Veluwe, 'leeggehaald'. Onder leiding van Aus der Fünten werd het Apeldoornse Bos doorzocht, weerloze patiënten werden geslagen en mishandeld, in vrachtwagens en later in veewagons geladen. De trein met patiënten en verpleegkundigen reed direct door naar Auschwitz, waar bijna iedereen onmiddellijk na aankomst werd vergast. Op 1 maart 1943 vond een overval plaats op de Joodse Invalide, de grote joodse zorginstelling in Amsterdam. Oude, zwakke en zieke patiënten werden bijeengedreven en door de SS en afgevoerd.
    Inmiddels was er in Vught bij 's-Hertogenbosch een concentratiekamp gebouwd waar politieke gevangenen, criminelen en joden gevangen genomen werden. Joodse arbeiders uit Amsterdam met een economische vrijstelling kwamen als eersten naar Vught, later, toen Rauter alle overgebleven joden uit de provincies had verbannen, kwamen ook joden uit de provincie naar Vught. Er waren fabrieken op het terrein van Vught, waardoor de indruk gewekt werd dat het hier om een werkkamp ging. Uiteindelijk zijn alle joodse gevangenen uit Vught via Westerbork (sommigen rechtstreeks) naar het Oosten gedeporteerd.
    Op 29 september 1943 vond de laatste razzia plaats in Amsterdam. De hoofdstad werd nu door de bezetter judenrein genoemd. Op 13 september 1944 vertrok de laatste trein uit Westerbork met bestemming Bergen-Belsen. Op 12 april 1945 werd Westerbork bevrijd. Er verbleven toen nog 876 gevangenen, waaronder driehonderd joden die na het laatste transport in het kamp achtergebleven waren. De anderen waren opgepakte onderduikers.

    Overleven: vlucht, onderduik, verzet

    Veel joden ondernamen pogingen om aan de deportaties te ontsnappen, maar het was natuurlijk uitermate moeilijk te bedenken welke strategie de beste kans op redding bood - als men al een keuze had. De meesten kozen eerst voor een 'papieren weg' en probeerden op een lijst te komen waardoor ze om een of andere reden (joodse afkomst niet geheel zeker; op de wachtlijst voor een uitreisvisum in ruil voor geld, goud of diamanten etc.) niet op transport hoefden. Sommige lijsten werden min of meer te goeder trouw gemaakt, anderen werden door de opstellers ervan alleen voor zelfverrijking gebruikt.
    Een kleine groep - hun aantal wordt geschat op 1800 tot 2700 mensen - slaagde erin te vluchten. De vluchtweg was lang en gevaarlijk: overzee naar Engeland of over land naar Spanje en Zwitserland. Tot deze vluchtelingen behoorden onder andere de Palestina pioniers die onder leiding van Joop Westerweel de grens over vluchtten. Zowel joodse als niet-joodse verzetsgroepen waren actief bij het helpen van joodse vluchtelingen.
    Sommigen konden van de lange wachttijden in de Hollandsche Schouwburg gebruik maken om - via tussenkomst van anderen - te vluchten. Baby's en kleine kinderen verbleven niet in de Schouwburg maar in een crèche tegenover de Schouwburg. Die crèche werd minder goed bewaakt en zo zijn een aantal baby's uit deze crèche gesmokkeld en door leden van verzetsgroepen naar onderduikadressen gebracht. Walter Süskind, een Duits-joodse vluchteling die in de Schouwburg voor de Expositur werkte, heeft hierbij een grote rol gespeeld.
    Uiteindelijk was onderduik voor velen de laatste hoop op redding, maar het vinden van onderduikadressen was bijzonder moeilijk. Wie betrapt werd op het verbergen van joden liep zelf gevaar gedeporteerd te worden, daarom waren maar weinig mensen bereid dit te doen. Bovendien kwam er veel meer bij kijken dan alleen een onderduikadres. Wie onderdook moest een vals persoonsbewijs hebben en er moesten bonkaarten en geld komen om de onderduikers van voedsel te voorzien. Verschillende verzetsgroepen waren actief bij de ondersteuning van onderduikers. Vooral in het Noorden van Nederland waren veel onderduikadressen, maar ook in Zuid-Limburg en elders in het land waren mensen bereid joden onderdak te bieden. Soms bood een familie onderdak aan verschillende joodse onderduikers. Uiteindelijk zijn er zo'n 24.000 tot 25.000 joden ondergedoken, waarvan 4.000 kinderen. Daarvan hebben 16.000 tot 17.000 mensen de oorlog overleefd.
    Een zeer kleine groep (minder dan 5.000) overleefde de concentratiekampen.