Na 1796 bestond er voor joden officieel geen enkele belemmering meer om als volwaardig Nederlands burger te gaan en te staan waar ze wilden, het beroep te kiezen dat hen aanstond, kandidaten voor de regering te kiezen en zelf gekozen te worden, maar het was het in de praktijk aanvankelijk alleen de bovenlaag van de joodse gemeenschap die profiteerde van het emancipatie-proces. Zij veroverden als eersten een gelijkwaardige positie in de maatschappij. Voor de rest van de bevolking was dat vooralsnog moeilijk.Ook al werden de gilden afgeschaft en stond nu in principe elk beroep open, toch bleef de beroepenspreiding onder joden erg beperkt. Joden hadden te weinig scholing in de nieuwe beroepen, ze waren niet erg gewenst in nieuwe beroepen, ze konden niet makkelijk voor niet-joden werken in verband met de zaterdagrust en dus bleef voor velen handel de bron van inkomsten. De armoede onder grote delen van de joodse bevolking was groot en van integratie was nog maar weinig sprake.
Toen stadhouder Willem V in 1813 terugkeerde en in 1815 koning Willem I werd nam hij een groot aantal maatregelen die de integratie en assimilatie van joden moesten bevorderen. Hij verbood het gebruik van Jiddisj in scholen en synagogen en op joodse scholen moesten voortaan niet alleen religieuze maar ook maatschappelijke vakken gegeven worden. Tenslotte verordonneerde Willem I voor alle geloofsrichtingen de oprichting van kerkgenootschappen. Aan het bestaan van de onafhankelijke joodse gemeentes was een einde gekomen.