Verhaal

“Beste vriend, reis vanuit Westerbork met Vader & Moeder. Jij betaalt porto. Het allerbeste, je vriend Jules”

In juli 1942 zijn ongeveer 85 joodse Groningers in werkkamp Twilhaar terechtgekomen. Ruim driekwart eeuw later duiken ineens brieven op van een van deze gegijzelden in Nijverdal. We gaan op zoek naar een gezicht bij deze brieven.

Het is vrijdagmiddag 1 juni 2018 als de telefoon gaat. Een zekere Hermen Molendijk aan de lijn, die vertelt, dat hij brieven heeft die in 1942 uit werkkamp Twilhaar zijn gestuurd. Hermen heeft die brieven gevonden bij het opruimen van de spullen van zijn vader, Peter Molendijk, die twee jaar daarvoor was gestorven. Zeven brieven zaten achterin het boek ‘Ondergang’ van Presser, alle geschreven door de 17-jarige Jules van Coevorden aan zijn beste vriend Peter Molendijk, beiden klasgenoten op het Gymnasium in Groningen.

Hermen Molendijk is benieuwd of wij iets meer weten over deze Jules van Coevorden, of er misschien een foto van hem is. Hij zou zo graag een gezicht bij de brieven willen zien, willen weten hoe de beste vriend van zijn vader eruitzag.

Maar de naam Jules van Coevorden is nieuw voor ons en wij hebben helaas geen foto van hem. Maar we kennen ook niet alle personen die op de foto’s in Twilhaar voorkomen. Ik moet denken aan een groepsfoto van Groninger joden in werkkamp Twilhaar, waarop aan de linkerkant een nogal studentikoze jongeman met bril voorkomt. Ik zeg Hermen Molendijk toe dat ik hem deze foto toe zal sturen zodat hij zelf kan oordelen. Van zijn kant krijg ik de toezegging dat hij mij de brieven zal sturen.

Zo begint 76 jaar na dato een nieuwe speurtocht naar een van de onbekende Groninger joden in werkkamp Twilhaar.

Joodse mannen in werkkamp Twilhaar, 1942.

Veel sneller dan verwacht, krijg ik van Hermen de scans van de brieven die Jules van Coevorden in de zomer van 1942 aan zijn vriend in Groningen stuurde. Ik kijk naar een zwierig handschrift, een manier van schrijven die ik alleen nog maar ken van de generatie van mijn eigen vader. De eerste brief van Jules, geschreven 14 dagen na aankomst in het werkkamp luidt:

Nijverdal 24-7-’42 - Beste Peter: Hoe is het met jou? Hopelijk alles goed. Ik wil je graag veel schrijven maar ik weet niet waar je bent. Ik schrijf je daarom 2 kaarten: naar Gron. en naar Midlaren. Schrijf je mij gauw terug? Mijn adres is: Den Heer J.D. v. Coevorden, R.W.K. Twilhaar, Kamer 10, Nijverdal. Vele groeten, ook aan je ander huisgenoten, van je vriend Jules.”

We wisten dat de joodse mannen in werkkamp Twilhaar in de eerste weken van hun verblijf een zekere mate van bewegingsvrijheid hadden en dat er geen censuur op de post was.  Dat veranderde nadat beheerder Henner Hoijmann in kamp Erika in Ommen, een week lang nieuwe instructies had gekregen hoe hij de joden er nog meer onder kon houden. Het tweede briefje dat Jules aan zijn vriend Peter schrijft laat dit ook zien:

Nijverdal 8-8-‘42 - Beste Peter, Ik wil je even een kort briefje schrijven. Het is hier rot geworden, heel streng. Ook met de post. Daarom schrijf ik je nu. Ik krijg nl. 1 maal in de week de post: ’s Zaterdags. En 1 maal in de week gaat de post hier weg. Alles gecensureerd. Ik verwacht dus iedere Zaterdags een lange brief van jou. Dit zal voortaan met mijn andere brieven mijn enige afleiding zijn. De volgende keer schrijf ik alle maatregelen wel. Ik moet nog meer van deze briefjes schrijven. Vele groeten en een stevige poot van je vriend Jules.”

In de eerstvolgende brief die aan de Nassaukade in Groningen bij Peter Molendijk op de deurmat valt, legt Jules wat meer uit over de scherpere maatregelen en krijgen we een beetje een idee hoe een werkdag voor joodse arbeiders er op de Sallandse hei uitziet. Jules kan het niet nalaten nog even de gymnasiast te spelen met zijn Latijnse vervoegingen, waarna hij de hoop uitspreekt voor een goede afloop en ook nog een nieuw fotorolletje bestelt:

Nijverdal 17-8-’42 - Beste Peter, Allereerst vraag ik je, of je mij mijn mooi postpapier verontschuldigt. Ook daaraan kun je zien, dat er oorlog is. Jammer, dat je niet zoveel plezier gehad hebt in Midlaren door het weer. Hier heeft het de laatste tijd ook flink geregend, maar nu wordt het al weer een beetje beter. Vorig jaar ben ik tenminste nog op “De Bulten” geweest. Een mooie herinnering.

Op het ogenblik is het hier aardig warm. Na het werk hebben we ons lekker gewassen, toen gegeten en nu zit ik in de cantine. Zoals ik je al in mijn vorige briefje schreef, is het er hier niet leuker op geworden. Alles gaat precies op de klok. We zijn in 4 afdelingen gesplitst met aan het hoofd van iedere groep een kaput. Zo blijf ik tenminste nog een beetje in m’n Latijn. We staan op om kwart over vijf, dan je wolletje opmaken, wassen, eten en dan weg. We lopen drie aan drie naast elkaar. In de pas naar het werk lopen. En dan werken van 7 ¼ uur tot 12. En van kwart over één tot 4 ¾ uur. Dan weer naar huis, wassen, eten, en naar bed om 9 uur. Je ziet dus wel: het grootste deel van de dag werken. En soms ’s avonds ook nog exerceren. De commando’s  in ’t Duits. Maar toch is het nog wel uit te houden want we kijken allen nog naar één ding uit: naar een invasie. (invado, invasi, invatum, invadere, binnenvallen. Ken ik mijn Lat. stamtijden nog goed of niet?) Reken jij er ook op?

’s Avonds doen we een beetje aan ontspanning, o.a. biljarten, kaarten, dammen, schaken enz. We werken nu ’s Zaterdags wel een halve dag, maar ook dat is het ergste niet. Nu nog één verzoek. Zou jij ook filmpjes voor me kunnen krijgen, maat is 6 x 9. Ik zou ze hier best kunnen gebruiken. Als je ze mijn moeder geeft, doet die ze wel bij mijn pak met was in. Zij betaalt ze ook. Wil je je best doen? Ik heb geen nieuws meer en daarom eindigt deze brief nu maar. Doe de groeten aan je huisgenoten. Doe je best maar op school. Met 8 man kom je er wel. Tot ziens en een stevige poot van je vriend Jules.”

In de brief hierna laat Jules aan Peter weten dat hij al een paar dagen ziek in bed ligt, maar “Niets tegen moeder zeggen, hoor!” Ook in het contact daarop meldt Jules dat hij al een week ziek is. Hij probeert via zijn Groninger vriend te regelen waaraan hij gebrek heeft: enveloppen en Engelse studieboeken om te leren.

Jules heeft vanuit het Nijverdalse verblijf ook gemerkt, dat er voor hem een manier is om uit het werkkamp te komen en doet hiervoor een beroep op Peter Molendijk: “Zou jij me nu een plezier kunnen doen? Er is van hieruit voor mij geschreven naar de Joodse Raad in Gron. over de school. In Oude en Nieuwe Pekela en Leeuwarden o.a. mogen de Joodse leerlingen op school blijven en hoeven niet naar de kampen. Dat hebben die leerlingen mij zelf geschreven.” Het is een verzoek aan zijn vriend, dat hij in meer brieven zal herhalen.

Voordat ik de kans krijg om de laatste drie brieven in het handschrift van Jules van Coevorden te bestuderen, neemt Hermen Molendijk weer contact met me op. Hij heeft de foto die ik hem had toegestuurd aandachtig bekeken, maar hij twijfelt over de persoon links met bril die ik hem had aangewezen.

“Op de een of andere manier gaat mijn aandacht steeds uit naar die jongen midden op de foto,” vertelt Hermen, “die jongen in dat witte overhemd. Daar staat een man achter, in een overall, die op een haast vaderlijke manier de handen op zijn schouders laat rusten. Voor mijn gevoel is dat een vader en zijn zoon. Daar twijfel ik niet aan. En Jules zat daar met zijn vader in werkkamp Twilhaar.”

Met zijn vader?!? Soms is een nieuwe blik op bekend materiaal nodig om heel anders te kunnen kijken. Ik zeg, dat de man in de overall ook op een andere foto voorkomt en dat die naam wel bij ons bekend is. Ter plekke zoek ik dat op: de man in de overall is H. Vos van Coevorden.

“Ja, dat klopt,” zegt Hermen Molendijk, “Jules heet officieel ook Jules Vos van Coevorden! Dan moet die jongeman in het witte overhemd Jules zijn, dat is voor mij nu wel duidelijk!”

“En dan heb ik nog wat gevonden in de spullen van mijn vader,” gaat Hermen even later verder, “Een kaart uit 1942 van het gebied rondom Ommen. Een fietskaart. Die moet mijn vader hebben gekocht, toen hij op de fiets vanuit Groningen naar Nijverdal is gefietst om zijn vriend in dat kamp te bezoeken. Ik denk dat hij twee keer die fietstocht heeft gemaakt, want Jules schrijft ergens, dat ze elkaar gemist hebben en vraagt of hij nog een keer op een zondag kan komen. Mijn vader heeft me verteld, dat hij Jules daadwerkelijk heeft gesproken en heeft geprobeerd hem over te halen om hem te smeren uit dat kamp en onder te duiken. Want mijn vader wist donders goed wat hen te wachten stond en Jules ook wel, maar die heeft het niet aangedurfd. Dat is ook het enige dat mijn vader me ooit heeft verteld over dat werkkamp in Nijverdal. Ik ben blij dat ik nu een gezicht heb bij de brieven van mijn vaders vriend.”

Na dit gesprek met Hermen Molendijk bekijk ik de verdere scans van de brieven die Jules vanuit Twilhaar heeft geschreven. De laatste keer dat hij uit Nijverdal schrijft is op 23 september 1942, een dikke week voordat het kamp zal worden ontruimd, en de groep joden onder Duitse bewaking via het station in Nijverdal in kamp Westerbork terechtkomt.

Jules begint met zijn vriend excuses aan te bieden: “Beste Peter, Ik wil maar direct beginnen met een verontschuldiging dat ik niet veel kan schrijven, want ik heb haast geen nieuws en helemaal geen tijd, want ik moet nog zo veel schrijven.” En schrijft even verderop: “Ieder zit hier te springen op het verlof. Wat zou dat mieters zijn! Zeg Peter, wil je me niet kwalijk nemen, als ik op houd. Ik beloof, dat ik Zondag een lange schrijf. Het beste, de groeten thuis en een stevige poot van je vriend Jules.”

Verlof? Was de mannen verlof in het vooruitzicht gesteld? Of bedoelt hij de ‘gezinshereniging’, zoals hen dat werd voorgespiegeld, op 3 oktober in Westerbork?

Uit de trein geworpen briefkaart.

Het laatste bericht dat Jules aan Peter stuurt – hij heeft Nijverdal dan al achter zich gelaten -  is een briefkaart. Op die kaart staat in een ander handschrift dan dat van Jules geschreven: “Bij Winschoten uit de trein geworpen.” Jules zelf schrijft: “Beste vriend, reis vanuit Westerbork met Vader & Moeder. Jij betaalt porto. Het allerbeste, je vriend Jules.”

Jules van Coevorden behoort met zijn vader Hartog Vos van Coevorden en moeder Vera Goldschmidt, tot de groep van 1703 personen die op vrijdag 9 oktober 1942 vanuit Westerbork naar Auschwitz-Birkenau wordt afgevoerd. Na twee dagen, op zondag 11 oktober, komen ze in het vernietigingskamp aan. Een dag later, tien dagen na zijn vertrek uit werkkamp Twilhaar in Nijverdal, worden Jules en zijn ouders in Auschwitz vermoord.

Briefkaart uit de trein geworpen.

Peter Molendijk heeft, blijkens het poststempel op de briefkaart, dit laatste berichtje van Jules zo rond 11 oktober 1943 in Groningen ontvangen. In datzelfde andere handschrift staat op de briefkaart geschreven “10-X-42 (Transport in 9-X-42), (Presser II – 302)” en ik vermoed dat Peter Molendijk dat zelf heeft opgezocht bij Presser en die notities zelf heeft aangebracht. Daarna heeft hij de brieven achterin het boek opgeborgen, waar ze tot 2018 zijn blijven zitten, toen ze werden gevonden door zijn zoon Hermen.

Herkent iemand deze jonge Groninger?

Ik vermoed dat Hermen Molendijk gelijk heeft, als hij stelt dat de jongeman in het midden van de groepsfoto Jules van Coevorden moet zijn.  Ik probeer toch nog wat meer zekerheid te krijgen. De Groninger Archieven kunnen me geen verdere informatie geven en bij het Stedelijk Gymnasium in Groningen vertellen ze me, dat er geen klassenfoto’s uit die tijd bestaan.

Ik neem contact op met de Groninger Gezinsbode of ze een kleine oproep van mijn hand willen plaatsen. Vincent Trechsel van dat weekblad neemt contact met me op en besluit er een groter verhaal aan te besteden. Op 20 juni 2018 staat er een hele pagina in de Gezinsbode met de oproep om meer informatie over Jules van Coevorden: herkent iemand deze jonge Groninger?

De respons is zeer matig: een oud-Nijverdaller die al decennia lang in Groningen woont, had nog nooit van dat werkkamp gehoord en wil weten waar het stond, en een vrouw bindt mij op het hart, dat de brieven zo snel mogelijk naar het Joods Archief moeten.

Het lijkt er op dat we ons er bij neer moeten leggen dat we niet meer bevestiging van de identiteit van de jongeman op de foto krijgen, wanneer ik op 21 maart 2019 wordt gebeld door de 89-jarige mevrouw Van der Werff-Schuursma uit Groningen.

Zij verontschuldigt zich voor haar late reactie op het artikel in de Gezinsbode, maar zij heeft net een verhuizing achter de rug, vandaar. Zij is de dochter van de rector van het Gymnasium in de periode dat Jules van Coevorden en Peter Molendijk daar naar school gingen. Ze is wat jonger dan die twee, dus zelf heeft ze Jules niet helder voor ogen, maar ze is gaan prakkezeren, wie dan wel iets zou moeten weten. “En dan kom je onmiddellijk uit bij Wim Koops,” legt mevrouw Van der Werff uit, “Wim is wat ouder en bijzonder accuraat en deskundig. Over hem ging destijds het verhaal, dat hij 25 meter aan boeken had. Nou zoveel boeken had geen een jongen, dus dat maakte wel indruk. Ik heb Wim het artikel toegestuurd en ik heb antwoord van hem gekregen. Wim heeft inderdaad Jules van Coevorden herkend als de jongeman in het witte overhemd.”

Wanneer ik een paar dagen later die brief van Wim Koops onder ogen krijg, schrijft hij over Jules:

‘Wat je vraag over Jules van Coevorden betreft, die herinner ik mij heel goed. Wij zaten in dezelfde klas van de lagere school aan de Coendersweg (School 14, ook Groenhoffschool genoemd naar het hoofd van de school) van 1931 tot 1934, toen wij verhuisden naar Haren en ik tot mijn spijt van school moest wisselen. Op het gymnasium zat hij een klas hoger, omdat ik in Haren een zevenjarige opleiding moest volgen, wat in Groningen in zes jaar ging. Dus hij begon in 1937 en ik in 1938. Ik herinner mij hem als een aardige jongen, extravert, die goed zijn woordje kon doen. In 1942 moest hij ineens de school verlaten met de andere Joodse kinderen, o.a. mijn klasgenote Froukje Sanders. Ik vermoed wel dat hij de jongen is, midden vooraan op de foto. Maar hier houdt mijn kennis op.”

Mevrouw Van der Werff-Schuursma vertelde me in haar telefoongesprek nog: “Peter Molendijk heb ik zelf wel gekend. Zijn zusje Martha Molendijk behoorde tot mijn vriendinnenclub. Wij trokken veel met elkaar op en ik ben daar ook wel eens thuis geweest. Maar ik heb Peter Molendijk nooit iets horen zeggen over Jules van Coevorden. Ook later niet, toen Peter burgemeester was geworden van Ten Boer en wij daar ook kwamen te wonen, want mijn man was daar huisarts. We trokken veel op met hen, maar over de oorlog werd niet gepraat. Dat deed je niet in die tijd.”

Hermen Molendijk bevestigt later mijn vermoeden dat het andere handschrift op de laatste briefkaart van Jules inderdaad dat van zijn vader is.

Jan Fikken en Alex Alferink doen sinds 2001 onderzoek naar Rijkswerkkamp Twilhaar. In samenwerking met de Historische Kring Hellendoorn Nijverdal, Staatsbosbeheer en SG Reggesteijn heeft dit in 2003 geleid tot de onthulling van het monument ter nagedachtenis van de joodse mannen in Twilhaar, en in 2012 tot de herinrichting van het voormalige werkkampterrein en de onthulling van een replica van de oorspronkelijke toegangspoort.

De brieven van Jules van Coevorden zijn (na de verbouwing) in te zien in Memory Oorlogs- en Vredesmuseum in Nijverdal, waar ook meer over Rijkswerkkamp Twilhaar tentoongesteld is.

Auteur: Alex Alferink. 

Werkkamp Twilhaar.

Met toestemming overgenomen van de website mijnstadmijndorp.nl